Home > Publicaties > Aanbevelingen

Aanbevelingen

Algemene Aanbevelingen 2015/1 - Inzake het ambtshalve onderzoek naar de rechten op een Inkomensgarantie voor ouderen (IGO) voor een gepensioneerde ambtenaar die de leeftijd van 65 jaar bereikt- zie p. 32 e.v. voor een grondige studie.

Voor een gepensioneerde werknemer of zelfstandige die 65 jaar oud geworden is en die geen pensioen ontvangt dat de toekenning van een IGO verhindert, wordt het recht op een IGO ambtshalve onderzocht.

Voor een gepensioneerde ambtenaar daarentegen die zich in dezelfde situatie bevindt, wordt er geen ambtshalve onderzoek naar het recht op een IGO opgestart. Hij moet verplicht een aanvraag indienen.

Het algemeen reglement inzake de IGO behoudt immers het automatische onderzoek naar het recht op een IGO op de leeftijd van 65 jaar voor aan de gepensioneerden in de privé sector (werknemer en zelfstandige).

Om aan dit hiaat te verhelpen zou de tekst van artikel 10, § 1, 3° van het koninklijk besluit van 23 mei 2001 moeten aangepast worden zodat het ambtshalve onderzoek kan gebeuren voor alle gepensioneerden die 65 jaar oud geworden zijn, ook voor gepensioneerde ambtenaren.

Daar de IGO ongetwijfeld een efficiënt middel in de armoedebestrijding bij bejaarden is moet de toegang ertoe voorzien worden voor zo veel mogelijk personen.

Het College van de ombudsmannen beveelt dan ook aan de bevoegde overheden aan om de tekst van artikel 10, §1, 3° van het koninklijk besluit van 23 mei 2001 tot instelling van een algemeen reglement betreffende de inkomensgarantie voor ouderen te wijzigen zodat het ambtshalve onderzoek van het recht op een IGO ook mogelijk wordt gemaakt voor zij die uitsluitend een pensioen als ambtenaar genieten waarvan het bedrag de toekenning van de Inkomensgarantie voor ouderen niet verhindert.

Algemene aanbeveling 2014/1 - Inzake de betaling van het pensioen door de PDOS: de betaling op rekening als standaard instellen

Het koninklijk besluit van 9 maart 2004 betreffende de betaling per overschrijving van de uitkeringen betaald door de RVP maakt de betaling op rekening de normale betaalwijze voor een pensioen in de regeling voor werknemers. Artikel 9 van het koninklijk besluit van 13 augustus 2011 betreffende de betaling van de door de Rijksdienst voor Pensioenen betaalde uitkeringen voorziet in dezelfde garanties als de verbintenis die de betrokkene nu nog moet onderschrijven om zijn pensioen in de openbare sector op rekening te ontvangen.

De RVP sluit met de financiële instellingen één of meer overeenkomsten. Deze overeenkomsten bepalen inzonderheid de onderscheiden verantwoordelijkheden van de RVP en van de financiële instelling, om de regelmatigheid van de overschrijving van de maandelijkse termijnen van de uitkering en van de creditering van de rekening van de gerechtigde te verzekeren. Zij stellen eveneens de waarborgen vast die de financiële instelling aan de Rijksdienst moet geven betreffende de terugbetaling van ten onrechte gestorte bedragen.

De procedure zoals voorzien in de wetgeving in de privésector, die in voege is sedert 2004, sluit veel nauwer aan bij wat men in de 21ste eeuw mag verwachten van een moderne overheid. De wetgeving voorziet de nodige garanties en de pensioendienst zorgt zelf voor de nodige controles door contact op te nemen met de financiële instelling van de gepensioneerde.

Het is niet langer aanvaardbaar dat de betrokken gepensioneerde zelf alle stappen moet zetten om zijn pensioen op zijn rekening te ontvangen. De ambtenaar ontvangt zijn wedde op zijn rekening na melding van zijn rekeningnummer aan zijn personeelsdienst. Er zijn geen andere formaliteiten vereist. Hij mag dan ook verwachten dat zijn pensioen eveneens op zijn rekening zal gestort worden na eenvoudige melding van zijn rekeningnummer aan de pensioendienst.

De Ombudsdienst Pensioenen beveelt dan ook aan de nodige wettelijke aanpassingen door te voeren om van de betaling op rekening de standaardprocedure te maken voor overheidspensioenen. Ook in de overheidssector zou het meedelen van het rekeningnummer moeten kunnen volstaan om de betaling van het pensioen op rekening te bekomen.

Algemene aanbeveling 2012/1

Inzake de ambtshalve toekenning van het rustpensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot in de regeling voor werknemers en zelfstandigen: de wetgeving aanpassen zodat de ingangsdatum van dit voordeel altijd vastgesteld kan worden op de eerste dag van de maand volgend op de overschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand – zie p.38 voor een grondige studie.

Artikel 76 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers voorziet een ambtshalve onderzoek van het recht op een pensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot in de volgende gevallen:

1. wanneer de uit de echt gescheiden echtgenoot op het moment van de overschrijving van de echtscheiding reeds een gedeelte van het pensioen van de andere echtgenoot genoot als feitelijk of als van tafel en bed gescheiden echtgenoot EN voor zover de uit de echt gescheiden echtgenoot de pensioenleeftijd heeft bereikt op de 1ste dag van de maand volgend op de overschrijving van de echtscheiding;

2. wanneer uit het ambtshalve onderzoek van het recht op een persoonlijk rustpensioen blijkt dat de ex-echtgenoot een activiteit als werknemer heeft uitgeoefend.

Bij de RVP heeft een nieuw onderzoek van het recht op een persoonlijk rustpensioen het ambtshalve onderzoek van het recht op het pensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot tot gevolg (voorbeeld: omzetting van het gezinspensioen naar het pensioen als alleenstaande).

In de regeling voor zelfstandigen bepaalt artikel 92 § 4 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen dat de rechten op het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot ambtshalve onderzocht worden wanneer de belanghebbende, op het ogenblik van de overschrijving van de echtscheiding, als van tafel en bed of feitelijk gescheiden echtgenoot een gedeelte genoot van het rustpensioen van zijn echtgenoot en indien hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt op de eerste dag van de maand volgend op de overschrijving van de echtscheiding.

Het onderzoek gebeurt bijgevolg ook ambtshalve wanneer er een onderzoek is naar de rechten op een pensioen als zelfstandige (ambtshalve op of op vraag) of, in het kader van de polyvalentie, wanneer een onderzoek gebeurt in de pensioenregeling voor werknemers.

Er is echter een specifieke aanvraag noodzakelijk wanneer de overschrijving van de echtscheiding gebeurt na het onderzoek van het recht op een persoonlijk rustpensioen en voor zover er op dat ogenblik geen reden is tot een nieuw onderzoek van de persoonlijke pensioenrechten in de regeling voor werknemers of in de regeling voor zelfstandigen. Deze beperking kan een tijdelijk of definitief verlies van het recht van sommige gepensioneerden op een pensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot veroorzaken.

Om aan deze situatie te verhelpen en om in zo veel mogelijk gevallen te waarborgen dat de ingangsdatum van het pensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot wordt vastgesteld op de 1ste dag van de maand volgend op de overschrijving van de echtscheiding, beveelt het College aan de bevoegde overheden aan:

1. Om artikel 76 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 (algemeen reglement betreffende het pensioen voor werknemers) te wijzigen door aan de situaties waarin een ambtshalve onderzoek moet gebeuren het ambtshalve onderzoek van het recht op een pensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot toe te voegen voor de personen die een rustpensioen als werknemer genieten op het ogenblik van de overschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.

Om de gelijke behandeling tussen werknemers en zelfstandigen te waarborgen beveelt het College ook aan:

2. Om artikel 92 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 van het algemeen reglement inzake de pensioenen voor zelfstandigen te wijzigen zodat in de regeling voor zelfstandigen het ambtshalve onderzoek naar het recht op het pensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot mogelijk is in dezelfde situaties als in de regeling voor werknemers.

Algemene aanbeveling 2012/2

Inzake de cumulatie van een rustpensioen op basis van het gezinsbedrag en een (klein) rustpensioen in de openbare sector toegekend aan de andere echtgenoot: deze cumulatie mogelijk maken in de regeling voor zelfstandigen zoals dit reeds het geval is in de regeling voor werknemers – zie p.85 voor een grondige studie

In de regeling voor werknemers verhindert het genot van een pensioen in de openbare sector door de echtgenoot niet de toekenning van een pensioen berekend op basis van het gezinsbedrag aan de andere echtgenoot. Deze regel geldt op voorwaarde dat het bedrag van het gezinspensioen voordeliger is dan het totaal van de pensioenen op basis van het bedrag als alleenstaande en mits het bedrag van het pensioen in de openbare sector afgetrokken wordt van het pensioen als werknemer.

In de regeling voor zelfstandigen werd deze mogelijkheid niet voorzien door de wetgever. Dit blijkt uit de huidige tekst van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen. Wanneer de echtgenoot van een gepensioneerde, die een pensioen geniet als zelfstandige, een pensioen geniet in de openbare sector moet het RSVZ het pensioen als zelfstandige toekennen op basis van het bedrag als alleenstaande.

Enkel in de regeling voor werknemers is de mogelijkheid voorzien om het pensioen van de openbare sector in mindering te brengen.

Overigens laat de wetgeving in de openbare sector niet toe om aan het pensioen in de openbare sector te verzaken om een gezinspensioen in een andere regeling te bekomen.

Het College beveelt aan de bevoegde overheden aan om de tekst van artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 72 te wijzigen en deze in overeenstemming te brengen met de tekst in de werknemersregeling zodat de gepensioneerde die een pensioen als zelfstandige geniet dit pensioen kan bekomen op basis van het gezinsbedrag indien zijn echtgenoot een rustpensioen in de openbare sector geniet waarvan het bedrag kleiner is dan het verschil tussen het bedrag van het pensioen van de andere echtgenoot op basis van het gezinsbedrag en het bedrag als alleenstaande.

Algemene aanbeveling 2011/1

Inzake de termijn waarover het RSVZ beschikt om een beslissing te nemen de wettelijke bepalingen aanpassen zodat het RSVZ, net als de RVP, enkel nog over een termijn van vier maanden beschikt om een beslissing te nemen – zie p. 81 voor een grondige studie.

Artikel 10 en 12 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde bepalen duidelijk de aan de pensioendiensten opgelegde verplichtingen inzake de behandelingstermijnen voor de pensioendossiers.

Op basis van artikel 10 zijn zowel de RVP als het RSVZ ertoe gehouden om binnen de vier maanden na de ontvangst van de pensioenaanvraag of na de kennisname van het feit dat aanleiding geeft tot het ambtshalve onderzoek een beslissing te nemen.

Artikel 12 stelt op zijn beurt dat de betaling moet gebeuren binnen de vier maanden na de betekening van de beslissing en ten vroegste vanaf de datum waarop de voorwaarden tot betaling vervuld zijn.

De pensioendiensten beschikken bijgevolg over vier maanden om een beslissing te betekenen en vervolgens over vier maanden om het pensioen uit te betalen. De behandelingstermijn bedraagt dus maximaal acht maanden.

In toepassing van artikel 133, § 4 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen moet het RSVZ een beslissing nemen binnen de vier maanden na de ontvangst van de aanvraag of na de kennisname van het feit dat aanleiding geeft tot een ambtshalve onderzoek.

Het koninklijk besluit van 15 december 1998 heeft de mogelijkheid voorzien van een termijn van acht maanden indien de aanvraag werd ingediend meer dan negen maanden voor de ingangsdatum van het pensioen die erop vermeld wordt. Deze maatregel is tijdelijk genomen in toepassing van artikel 10, 4de lid van de wet van 11 april 1995 (Handvest van de sociaal verzekerde).

In de regeling voor werknemers werd deze termijn vastgesteld: maximum twee jaar. Wij kunnen geen reden bedenken waarom er voor het RSVZ geen einddatum werd bepaald.

Het College van de ombudsmannen beveelt dan ook aan de bevoegde overheden aan om artikel 133 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen te wijzigen zodat enkel nog een termijn van vier maanden zoals bedoeld in artikel 10 van de wet van 11 april 1995 van toepassing is zodoende het niet in redelijkheid verantwoord onderscheid in behandeling tussen de pensioenstelsels op te heffen.

Algemene aanbeveling 2010/1

Inzake de toepassing van het principe van de eenheid van loopbaan: zoals de wet het voorziet toelaten om de minst voordelige overtallige jaren uit de loopbaan weg te laten, ongeacht of deze jaren in het stelsel der werknemers of zelfstandigen gepresteerd werden – zie p.66 voor een grondige studie

De wet van 11 mei 2003 heeft een belangrijke wijziging aangebracht in het principe van de eenheid van loopbaan. Wanneer het totaal van de loopbaanbreuken de eenheid overschrijdt, worden de minst voordelige jaren uit de loopbaan als werknemer of zelfstandige weggelaten zodat de totale loopbaan teruggebracht wordt tot de eenheid. Het doel van deze wettelijke bepaling is om aan de gepensioneerde het hoogst mogelijke pensioenbedrag toe te kennen ongeacht het feit of hij een homogene of een gemengde loopbaan heeft.

Het uitblijven van een uitvoeringsbesluit van deze wet maakt tot vandaag de toepassing door de betrokken pensioendiensten (RVP en RSVZ) onmogelijk.

Het College beveelt dan ook aan de bevoegde overheden aan om alle noodzakelijke maatregelen te nemen om de teksten van de uitvoeringsbesluiten van de wet van 11 mei 2003 zo snel mogelijk in het Belgisch staatsblad te publiceren en om na te gaan of er aan de bepalingen een terugwerkende kracht kan gegeven worden.

Algemene aanbeveling 2010/2

Inzake de beperking van het overlevingspensioen tot het bedrag van de IGO tijdens de periode van cumulatie met een vervangingsinkomen: de bepalingen die deze beperking regelen in die zin aanpassen zodat duidelijk gesteld wordt of er al dan niet moet overgegaan worden tot de aanpassing van het beperkte bedrag van het overlevingspensioen tijdens de periode van cumulatie met een vervangingsinkomen aan de evolutie van het bedrag van de IGO buiten index – zie p.164 voor een grondige studie.

Het overlevingspensioen in de regeling voor werknemers, zelfstandigen of in de openbare sector kan gedurende een periode van maximaal twaalf maanden gecumuleerd worden met een vervangingsinkomen. In de drie stelsels stelt een identieke bepaling dat het bedrag van het overlevingspensioen gedurende deze periode beperkt moet worden tot het bedrag van de IGO.

In tegenstelling tot de PDOS en het RSVZ komt de RVP op basis van deze identieke bepalingen tot een verschillende werkwijze. De RVP meent immers dat het overlevingspensioen voor de ganse periode moet beperkt worden tot het bedrag van de IGO zoals dit vastgesteld en betaalbaar was op de begindatum van de cumulatie van het overlevingspensioen met een vervangingsinkomen. De PDOS en het RVSZ laten het bedrag van het beperkte overlevingspensioen mee evolueren met de evolutie van de IGO tijdens deze periode.

Deze verschillende houding is voor de gepensioneerden wiens overleden partner een gemengde loopbaan had verwarrend en geeft aanleiding tot veel onzekerheid.

Het College beveelt dan ook aan om de bepalingen die de beperking van het overlevingspensioen tot het bedrag van de IGO regelen in die zin aan te passen zodat duidelijk gesteld wordt of er al dan niet moet overgegaan worden tot de aanpassing van het beperkte bedrag van het overlevingspensioen tijdens de periode van cumulatie met een vervangingsinkomen aan de evolutie van het bedrag van de IGO buiten index.

Algemene aanbeveling 2010/3

Inzake de wijze van het indienen van een aanvraag, de datum van de aanvraag, de ingangsdatum van het pensioen vóór de leeftijd van 65 jaar en de regels inzake de polyvalentie in het stelsel van de DOSZ: de bepalingen van de wet van 17 juli 1963 duidelijk maken zodat er op die vlakken geen juridische onzekerheid meer bestaat – zie p.158 voor een grondige studie.

In het pensioenstelsel van de wet van 17 juli 1963 is de normale pensioenleeftijd vastgesteld op 65 jaar voor alle aangeslotenen (mannen en vrouwen). De wetteksten (artikel 20, 4de lid) bepalen dat het pensioen ten vroegste verschuldigd is vanaf de leeftijd van 65 jaar en in geen geval voor de datum van de aanvraag.

Voor de aanvragen die tot doel hebben het pensioen vervroegd, ten vroegste 5 jaren voor de leeftijd van 65 jaar zoals voorzien in artikel 20, 5de lid, te bekomen voorziet de wet geen bijzondere modaliteiten.

Dit wettelijk vacuüm is een bron van juridische onzekerheid in die zin dat door het gebrek aan duidelijke en precieze regels verschillende interpretaties naast mekaar kunnen bestaan tussen dewelke geen enkele jurisprudentie toelaat een beslissing te nemen.

Voorts bevat de huidige reglementering geen duidelijke bepalingen inzake de wijze van het indienen van een aanvraag, de datum waarop een aanvraag kan ingediend worden, de vaststelling van de ingangsdatum van het pensioen vóór de leeftijd van 65 jaar, de polyvalentie.

Het College beveelt aan de bevoegde overheden aan om de wet van 17 juli 1963 in die zin te wijzigen dat het duidelijk is hoe de ingangsdatum van de pensioenen die aangevraagd worden vóór de leeftijd van 65 jaar moet vastgesteld worden, meer bepaald door te verduidelijken of een terugwerkende kracht aan de aanvraag kan gegeven worden of echter dat de ingangsdatum de datum van de aanvraag niet mag voorafgaan.

Het College beveelt verder aan om in de wetgeving alle nuttige wijzigingen aan te brengen zodat er geen twijfel meer is over de wijze waarop een aanvraag kan ingediend worden, de datum van de aanvraag, de ingangsdatum van het pensioen vóór de leeftijd van 65 jaar en de regels inzake polyvalentie.

Algemene aanbeveling 2009/1

Inzake de werkelijke ingangsdatum van het pensioen op het ogenblik van de toekenning of op het ogenblik van de betaling: een einde stellen aan de rechtsonzekerheid ingevolge de uiteenlopende interpretaties naargelang het pensioenstelsel – zie p. 85 voor een grondige studie

In het pensioenstelsel van de openbare sector gaat het rust- of overlevingspensioen in wanneer het wordt toegekend, ook al wordt deze toekenning niet gevolgd door een betaling. In de pensioenregeling voor werknemers en zelfstandigen daarentegen gaat het daadwerkelijk en voor de eerste maal in wanneer het voordeel de eerste keer wordt betaald.

De wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen is gemeenschappelijk voor de drie grote pensioendiensten. Nochtans verschilt de lezing van deze wet door de PDOS van deze door de RVP of het RSVZ.

Er bestaan twee uiteenlopende interpretaties van quasi dezelfde wetteksten wat het principe van de rechtszekerheid op de helling zet en een mogelijke bron voor discriminatie inhoudt.

Het College van de Ombudsmannen voor de Pensioenen beveelt dan ook aan om deze dubbelzinnigheid op te heffen. Het nodigt de bevoegde overheden uit om de noodzakelijke wettelijke initiatieven te nemen om de wet terzake te verduidelijken en zodoende een einde te maken aan het verschil in behandeling tussen de gepensioneerden in de openbare sector en deze in de privé sector (werknemers en zelfstandigen).

Algemene aanbeveling 2009/2

Inzake vrijwillige regularisatiebijdragen betaald na de betekening van de pensioenbeslissing en de toekenning na de ingangsdatum van het pensioen van een gelijkstelling die niet onderworpen is aan de betaling van bijdragen : de ambtshalve herziening van het pensioen in de regeling voor zelfstandigen mogelijk maken – zie p. 101 voor een grondige studie

In het kader van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor zelfstandigen is het RSVZ ertoe gehouden om ambtshalve een beslissing te nemen wanneer de regularisatie van bijdragen een invloed heeft op de pensioenrechten.

In zijn huidige formulering beoogt artikel 154, 7° van het koninklijk besluit van 22 december 1967 enkel de verplichte bijdragen voorzien in het sociaal statuut der zelfstandigen.

In de andere gevallen van regularisatie van bijdragen zoals de vrijwillige regularisatie tot gelijkstelling van de studieperiodes met een beroepsactiviteit en waarvan de betaling pas gebeurde nadat een definitieve pensioenbeslissing werd betekend is er geen ambtshalve onderzoek. In die gevallen is een uitdrukkelijke aanvraag noodzakelijk.

Deze vraag is overigens ook noodzakelijk wanneer een beslissing nadat het pensioen werkelijk is ingegaan een gelijkstelling toekent die niet onderworpen is aan de betaling van bijdragen.

Om een einde te stellen aan dit ongeoorloofde onderscheid beveelt het College aan de bevoegde overheden aan om de bovengenoemde wettekst aan te passen zodat alle gevallen die een invloed hebben op het recht op de voordelen en waarin sociale bijdragen moeten betaald worden of waarin laattijdig beslist wordt om een gelijkstelling toe te kennen die niet onderworpen is aan de betaling van bijdragen opgenomen zouden worden in de procedure van ambtshalve beslissing.

In afwachting van deze aanpassing aan de regelgeving nodigen wij alle betrokken instellingen (sociale verzekeringsfondsen, RSVZ) uit om aan de betrokkene alle nuttige informatie te geven betreffende de noodzakelijke stappen na de betaling van de regularisatiebijdragen of na de laattijdige toekenning van een “gratis” gelijkstelling.

Algemene aanbeveling 2009/3

Inzake toegelaten arbeid: enerzijds duidelijk in de pensioenreglementering definiëren wat verstaan moet worden onder “beroepsinkomen” en “per kalenderjaar” en anderzijds alle conclusies trekken uit de interpretatie die de voorkeur zal genieten meer bepaald inzake het (enkel en dubbel) vakantiegeld – zie p. 49 voor een grondige studie

In artikel 64 § 2 A, 1° van het koninklijk besluit van 21 december 1967 is het begrip “beroepsinkomen” niet duidelijk gedefinieerd.

Het concept “beroepsinkomen” van een werknemer dekt een verschillende lading naar gelang het gaat om een interpretatie verwijzend naar het sociale zekerheidsrecht, de berekening van het pensioen in de pensioenwetgeving der werknemers of het fiscaal recht en is derhalve niet éénduidig.

Het College stelt verder vast dat het niet duidelijk is wat dient verstaan te worden onder de woorden “per kalenderjaar”.

Deze onduidelijkheid vindt men ook terug in de pensioenreglementering voor zelfstandigen (artikel 107, § 2, A, 1° van het koninklijk besluit van 22 december 1967) en in deze van de openbare sector (artikel 4, 1° van de wet van 5 april 1994).

Derhalve beveelt het College de wetgever aan om alles in het werk te stellen om duidelijk te definiëren wat inzake toegelaten arbeid verstaan moet worden onder “beroepsinkomen” en “per kalenderjaar” en er de nodige besluiten uit te trekken.

In elk geval zou de wetgever rekening moeten houden met het argument dat de sommen, die een gepensioneerde naar aanleiding van zijn beroepsactiviteit in een bepaald kalenderjaar ontvangen heeft, het inkomen van dat jaar uitmaken.

Indien de wetgever opteert voor de definitie van het begrip “loon” in de sociale zekerheid en de inkomsten die in aanmerking komen volgens de pensioenwetgeving voor de vaststelling van een pensioen in de regeling voor werknemers zou het dubbel vakantiegeld bij de controle van de toegelaten jaargrenzen niet meer in aanmerking mogen genomen worden als “beroepsinkomen”.

Algemene aanbeveling 2008/1

Inzake de verjaringstermijn voor de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen – Verschillende termijn bij de DOSZ ten opzichte van de termijn bij de andere pensioendiensten – Harmonisering wenselijk

Algemene aanbeveling 2008/2

Inzake de wettelijke onmogelijkheid in het pensioenstelsel van de openbare sector om het overlevingspensioen van een eerste echtgenoot opnieuw te bekomen vóór het overlijden van de tweede echtgenoot, zelfs in het geval van echtscheiding – Verschil in behandeling tussen de pensioenstelsels

Algemene aanbeveling 2007/1

Inzake het wegwerken van ongewenste effecten van de wetgeving betreffende de pensioenbonus in het stelsel der werknemers en zelfstandigen in het geval van een gemengde loopbaan in de jaren die de ingangsdatum van het pensioen voorafgaan

Zie Jaarverslag 2008, p. 199

Algemene aanbeveling 2007/2

Inzake het wegwerken van de ongelijke behandeling van de cumulatie van een pensioen met een uitkering wegens loopbaanonderbreking of tijdskrediet teneinde palliatieve zorgen te verstrekken, voor ouderschapsverlof of voor het bijstaan of verstrekken van verzorging aan een lid van het gezin in de openbare sector enerzijds en in het stelsel der werknemers of zelfstandigen anderzijds

Algemene aanbeveling 2007/3

Inzake het wegwerken van de uiteenlopende gevolgen van een cumulatie van een overlevingspensioen met een vervangingsinkomen in het pensioenstelsel van de werknemers, zelfstandigen en in de openbare sector – Actualisatie

Zie Jaarverslag 2008, p. 200

Algemene aanbeveling 2006/1

Inzake de verzaking aan de terugvordering van een schuld voorziet de wet deze mogelijkheid niet voor de Pensioendienst voor de Overheidssector (PDOS) terwijl deze mogelijkheid bestaat via de Raad voor uitbetaling van de voordelen in de stelsels van de werknemers en van de zelfstandigen

Artikel 22, § 2 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het Handvest van de sociaal verzekerde bepaalt: “De bevoegde instelling van sociale zekerheid kan, binnen de voorwaarden bepaald door zijn beheerscomité en goedgekeurd door de bevoegde Minister, afzien van de teugvordering van het onverschuldigde: (Opsomming van de gevallen waarin verzaking mogelijk is)”.

Op 19 juni 2008 stelde het Arbeidshof te Antwerpen in een zaak met betrekking tot de NMBS volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof:

“Schendt artikel 22, § 2 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het Handvest van de sociaal verzekerde de artikelen 10 en 11 van de grondwet, in de interpretatie dat dit artikel enkel toepassing vindt in zoverre door het desbetreffend beheerscomité voorwaarden zijn bepaald welke werden goedgekeurd door de bevoegde Minister zodat derhalve enkel afstand van terugvordering kan worden gedaan als door het desbetreffende beheerscomité voorwaarden werden bepaald en geen afstand van terugvordering kan worden gedaan als door het desbetreffende beheerscomité geen voorwaarden werden bepaald?”

Het Hof zegt voor recht:

“Artikel 22, § 2 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde, in die zin geïnterpreteerd dat het slechts van toepassing is wanneer voorwaarden zijn bepaald door het betrokken beheerscomité en goedgekeurd door de bevoegde minister, schendt de artikelen 10 en 11 van de grondwet.

Dezelfde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat ze van toepassing is zelfs bij ontstentenis van voorwaarden bepaald door het betrokken beheerscomité en goedgekeurd door de bevoegde minister, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.”

Zie ook Jaarverslag 2007, p. 165 met het antwoord van de Minister van Pensioenen op een schriftelijke vraag gesteld in de Kamer van Volksvertegenwoordigers

Algemene aanbeveling 2004/1

Inzake de inkomensgrenzen voor de cumulatie van een pensioen met een beroepsactiviteit: in alle pensioenregelingen zoals vroeger hetzelfde criterium hanteren om het al dan niet toegelaten karakter van de beroepsactiviteit te evalueren, ofwel gaat het om de inkomsten per kalenderjaar ofwel gaat het om de inkomsten verworven gedurende de periode van effectieve beroepsactiviteit die respectievelijk vergeleken worden met een jaargrens of een pro rata van die jaargrens

Zie Jaarverslag 2007, p. 166

Algemene aanbeveling 2004/2

Inzake de cumulatie van rustpensioenen van de openbare sector met een beroepsactiviteit: zoals in de regeling voor werknemers en zelfstandigen en bij voorkeur met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002, in het jaar waarin de gepensioneerde 65 jaar wordt, het jaarinkomen vergelijken met een individuele jaargrens in functie van de verjaardag

Jaarverslag 2006, p. 188 en Jaarverslag 2007, p. 167

Algemene aanbeveling 2004/2

Actualisatie en uitbreiding.
Inzake de inkomensgrenzen voor de cumulatie van een pensioen met een beroepsactiviteit: overgaan tot een harmonisering inzake toegelaten arbeid in de drie stelsels

Zie Jaarverslag 2007, p. 167, Jaarverslag 2006, p. 189 en Jaarverslag 2005, p. 148

Algemene aanbeveling 2004/3

Inzake het minimumpensioen voor een gemengde loopbaan in de regeling voor werknemers: dit minimumpensioen mee laten evolueren met het minimumpensioen voor zelfstandigen

Zie Jaarverslag 2007, p. 167

Algemene aanbeveling 2004/4

Inzake de loopbaanvoorwaarde gesteld voor de opening van het recht op een vervroegd rustpensioen: in de pensioenregeling voor de zelfstandigen dezelfde samentelling van de Belgische loopbaanjaren met loopbaanjaren in het buitenland mogelijk maken als deze in de werknemersregeling en met dezelfde terugwerkende kracht

Zie Jaarverslag 2005, p. 152

Algemene aanbeveling 2004/5

Inzake de bevoegdheid van de Hoven en de Rechtbanken voor betwistingen in verband met de wettelijke pensioenen: de Arbeidsgerechten ook bevoegd maken voor de ambtenarenpensioenen of rond deze problematiek een haalbaarheidsstudie uitvoeren

Zie Jaarverslag 2005, p. 153

Algemene aanbeveling 2003/1

Inzake de ingangsdatum van het rustpensioen dat laattijdig aangevraagd wordt door gerechtigden die in het buitenland wonen: het pensioen altijd laten ingaan op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de pensioenleeftijd bereikt werd

Zie Jaarverslag 2007, p. 168 en Jaarverslag 2008, p. 202

Algemene aanbeveling 2003/2

Inzake het drempelbedrag waaronder een pensioen als werknemer of zelfstandige niet toegekend wordt: in geval van gemengde loopbaan als werknemer en zelfstandige het pensioen dat kleiner is dan het drempelbedrag tóch toekennen als de som van de pensioenen als werknemer en zelfstandige het drempelbedrag overschrijdt

Zie Jaarverslag 2006, p. 191

Algemene aanbeveling 2003/2

Actualisatie en uitbreiding.
Inzake het drempelbedrag waaronder een pensioen niet toegekend wordt: uitbreiding tot alle mogelijke situaties

Zie Jaarverslag 2006, p. 191

Algemene aanbeveling 2003/3

Inzake oudere werknemers die een beroepsactiviteit als zelfstandige beginnen om aan de werkloosheid te ontsnappen: bij een terugkeer naar de werkloosheid de gelijkstelling van deze nieuwe periode van werkloosheid met een periode van beroepsactiviteit mogelijk maken op basis van het laatst verdiende loon als werknemer

Zie Jaarverslag 2005, p. 156

Algemene aanbeveling 2003/4

Inzake de inkomensgarantie voor ouderen (IGO): onderzoeken of de IGO vatbaar moet blijven voor beslag wegens het niet of onvolledig betalen van het onderhoudsgeld aan de uit de echt gescheiden echtgenoot

Zie Jaarverslag 2004, p. 161

Algemene aanbeveling 2003/5

Inzake de betaling van de pensioenen in het buitenland: de betaling op een persoonlijke rekening bij een financiële instelling mogelijk maken in zoveel mogelijk landen

Zie Jaarverslag 2008, p. 98, Jaarverslag 2007, p. 170-171, Jaarverslag 2005, p. 157-159 en Jaarverslag 2004, p. 162-163

Algemene aanbeveling 2002/1

Inzake gelijkstelling in de pensioenregeling voor werknemers: na overdracht van bijdragen van de werknemersregeling naar de openbare sector, de gelijkgestelde periodes in de werknemersregeling blijven berekenen op basis van de werkelijk verdiende lonen als werknemer die ingeschreven waren op de individuele rekening

Algemene aanbeveling 2002/2

Inzake cumulatie van pensioenen met vervangingsinkomens: zoals in de regeling voor werknemers en die voor zelfstandigen, ook in de regeling voor de openbare sector het pensioen slechts schorsen gedurende de periode dat de gepensioneerde een vervangingsinkomen geniet

Zie Jaarverslag 2007, p. 172 en Jaarverslag 2006, p. 192

Algemene aanbeveling 2002/3

Inzake het principe van de eenheid van loopbaan: dit principe opheffen bij samenloop van een pensioen als werknemer en/of zelfstandige met een pensioen van de DOSZ dat gevestigd is met vrijwillige bijdragen

Algemene aanbeveling 2002/4

Inzake de Inkomensgarantie voor ouderen (IGO): de wet zo aanpassen dat voor de personen opgenomen in hetzelfde rusthuis, rust- en verzorgingstehuis of psychiatrisch verzorgingstehuis de bestaansmiddelen en de pensioenen niet gedeeld worden door het aantal personen dat dezelfde hoofdverblijfplaats deelt

Zie Jaarverslag 2004, p. 164

Algemene aanbeveling 2002/5

Inzake de toegelaten beroepsactiviteit voor gepensioneerden: de sanctie wegens het niet afleggen van een voorafgaande verklaring afschaffen of beperken tot één twaalfde van het jaarinkomen uit beroepsactiviteit

Zie Jaarverslag 2007, p. 173, Jaarverslag 2006, p. 194 en Jaarverslag 2005, p. 148

Algemene aanbeveling 2002/6

Inzake het supplement minimum in de openbare sector: onderzoeken of de huidige cumulatieregeling voor een winstgevende activiteit als zelfstandige kan/moet behouden blijven. De huidige regeling maakt de uitoefening van een beperkte activiteit als zelfstandige quasi onmogelijk omdat er rekening gehouden wordt met het bruto-inkomen als zelfstandige

Zie Jaarverslag 2005, p. 148 en 160

Algemene aanbeveling 2001/1

Inzake indexering van de pensioenen in de openbare sector: onderzoeken of de ongelijke behandeling van gepensioneerden die vooraf betaald en gepensioneerden die na vervallen termijn betaald worden, kan/moet gehandhaafd blijven

Zie Jaarverslag 2002, p. 180

Algemene aanbeveling 2001/2

Inzake het gewaarborgd minimumpensioen in de openbare sector: onderzoeken of de wetgeving zodanig kan genuanceerd worden dat in geval van feitelijke scheiding beter rekening gehouden wordt met de werkelijke gezinstoestand van de gepensioneerde

Zie Jaarverslag 2003, p. 170

Algemene aanbeveling 2001/3

Inzake de pensioenbijslag voor zelfstandigen: een gemotiveerde beslissing met recht van beroep verplicht maken

Zie Jaarverslag 2002, p. 182

Algemene aanbeveling 2001/4

Inzake de ambtshalve herziening wegens “een dwaling omtrent het recht of de feiten” of wegens “een onregelmatigheid of materiële vergissing”: de teksten in de pensioenregeling voor werknemers, de pensioenregeling voor zelfstandigen, het gewaarborgd inkomen voor bejaarden en de Inkomensgarantie voor ouderen met mekaar in overeenstemming brengen

Zie Jaarverslag 2003, p. 170

Algemene aanbeveling 2001/5

Inzake het herstellen van een fout die door de pensioendienst begaan is in het nadeel van de gerechtigde: in alle regelingen dezelfde terugwerkende kracht van het herstel invoeren

Zie Jaarverslag 2003, p. 170

Algemene aanbeveling 2000/1

Het invoeren van de wettelijke mogelijkheid om regularisatiebijdragen voor studieperiodes die vrijwillig betaald zijn en die uiteindelijk geen pensioenvoordeel opleveren, terug te betalen

In een antwoord op een schriftelijke vraag in de Kamer van Volksvertegenwoordigers antwoordde de Minister van Pensioenen:

“In antwoord op haar vraag kan ik het geachte lid meedelen dat het onderzoek naar de eventuele wijzigingen van de regeling inzake regularisatie van de studieperiodes nog steeds lopende is. Daarbij is immers niet alleen de Rijksdienst voor Pensioenen betrokken, maar ook het Rijksinstituut voor Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen en de Pensioendienst voor de Overheidssector.”

Op een andere schriftelijke vraag in de Kamer van Volksvertegenwoordigers antwoordde de Minister:

“Ik verwijs eveneens naar het antwoord op Parlementaire Vraag nr. 182, gesteld op 12 mei 2009 door DIERICK Leen, Volksvertegenwoordigster, waar dezelfde problematiek aan de orde was. (Vragen en antwoorden, Kamer van Volksvertegenwoordigers, 3e zitting van de 52e zittingsperiode 2008-2009, Bull. nr.. 66 van 22 juni 2009, p.228).

In antwoord op uw vraag wil ik toch benadrukken dat de studieperioden gedekt door vrijwillige bijdragen, in principe, altijd in de berekening van het pensioen voor de werknemers en de zelfstandigen worden opgenomen. Dit gebeurt echter niet, in het bijzonder wanneer de loopbaan van de betrokkene de eenheid van loopbaan overschrijdt.

Het principe van de eenheid van loopbaan houdt in dat de som van de loopbaanbreuken niet méér mag bedragen dan de eenheid, namelijk 45/45. Als de eenheid wordt overschreden, worden de minst voordelige jaren niet meegeteld bij de berekening van het werknemerspensioen (bijvoorbeeld: bij cumulatie van een pensioen uit de overheids- en privésector).

Een studieperiode gedekt door vrijwillige bijdragen, blijft in principe geldig voor de toekenning van het werknemerspensioen.

Ook als, achteraf, de voorwaarde om de betaling van bijdragen na te komen niet meer zou bestaan.

Omgekeerd geldt hetzelfde voor de bijdragen die, achteraf, (bijvoorbeeld door de opbouw van een lange loopbaan bij de overheid) onnodig betaald blijken te zijn. Om die reden kan de Rijksdienst voor Pensioenen, behoudens niet-inhoudelijk verzuim, de betaalde bijdragen niet terugbetalen, zelfs als die werden betaald "zonder teruggave".

Deze redenering steunt op het juridisch principe dat volgens hetwelk een beslissing die op een bepaald moment correct werd genomen niet meer kan worden rechtgezet, noch achteraf, noch wegens een wetswijziging of een verandering van de situatie.

Dit probleem betreft slechts een beperkt aantal dossiers, te weten meestal de situaties waarbij men zowel een pensioen uit de privésector als een pensioen uit de overheidssector krijgt toegekend.

Op uw vraag om deze wetgeving met terugwerkende kracht te wijzigen moet ik dan ook negatief antwoorden.

Het principe van de eenheid van loopbaan is immers één en ondeelbaar: ofwel past men het volledig toe, ofwel niet. De verplichte bijdragen en de vrijwillige bijdragen anders behandelen kan overigens niet worden gerechtvaardigd.

Tot slot is het ondenkbaar om de eenheid van loopbaan af te schaffen in deze moeilijke budgettaire tijden.

Wat de overlevende betreft, dient men een onderscheid te maken tussen enerzijds de overlevende die zelf zijn studieperiodes heeft geregulariseerd, en in dit geval worden die periodes aan het rustpensioen toegevoegd; en anderzijds de overledene die studieperiodes heeft geregulariseerd, en die periodes worden dan opgenomen in de berekening van het overlevingspensioen. In dat geval zal het financiële voordeel behalve van de regels voor de berekening ook afhangen van de cumulatieregels.

Het huidig standpunt van de administratie is dan ook correct.

Ik vraag echter dat de Rijksdienst de principes van het behoorlijk bestuur in acht neemt. Correct handelen betekent dat, behalve voldoen aan de principes van wettelijk handelen, ook bepaalde gedragsnormen dienen te worden gevolgd zoals de billijkheid en de opmerkzaamheid.

In alle gevallen van betaling van vrijwillige bijdragen, moeten de formulieren de betrokkene informeren over de eventuele gevolgen van de toepassing van het principe van de eenheid van loopbaan voor de berekening van hun pensioen.

Bovendien moet de Rijksdienst moet op het moment van de beslissing betreffende de betaling van bijdragen nagaan of de voorwaarden met het oog op een nuttige betaling aanwezig zijn.”

Zie Jaarverslag 2007, p. 174, Jaarverslag 2006, p. 196, Jaarverslag 2005, p. 161, Jaarverslag 2004, p. 166 en Jaarverslag 2002, p. 185

Algemene aanbeveling 2000/2

In de pensioenregeling voor zelfstandigen het onderzoek van de rechten op overlevingspensioen na de ontbinding van een nieuw huwelijk niet langer afhankelijk maken van een nieuwe aanvraag

Zie Jaarverslag 2008, p. 197 (Actualisatie) en Jaarverslag 2005, p. 162

Algemene aanbeveling 2000/3

Het opleggen van een specifieke informatieplicht aan de verzekeringsmaatschappijen en de pensioenfondsen die instaan voor de pensioentoezegging van instellingen van openbaar nut

Zie Jaarverslag 2001, p. 166

Algemene aanbeveling 2000/4

In het stelsel van de Overzeese sociale zekerheid en dat van de koloniale pensioenen ten laste van de Openbare Schatkist de gelijkstelling van de militaire diensten mogelijk maken

Zie Jaarverslag 2006, p. 198 en Jaarverslag 2001, p. 167

Algemene aanbeveling 2000/5

Het verduidelijken van het Handvest van de sociaal verzekerde: mogelijkheid of onmogelijkheid om termijnen inzake beslissing en betaling te compenseren

Algemene aanbeveling  2000/6

Het wijzigen van de regeling in het decreet van 28 juni 1957 houdende statuut van de Koloniale verzekeringskas zodanig dat de rechten op een pensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot niet langer afhangen van de inhoud van het vonnis of arrest
van echtscheiding
Zie jaarverslag 2008, p. 206

Algemene aanbeveling 2000/7

Het aanstellen van informatieambtenaren bij de pensioendiensten

Zie Jaarverslag 2005, p. 164 en Jaarverslag 2004, p. 167

Algemene aanbeveling 1999/1

Aanpassing van de reglementering betreffende de betaling per overschrijving van de uitkeringen betaald door de Rijksdienst voor Pensioenen en de erop gebaseerde overeenkomsten

Zie Jaarverslag 2007, p.176

Algemene aanbeveling 1999/2

Het doorzichtiger maken van de besluitvorming van de Raad voor uitbetaling van de voordelen en het bevoegd maken van de Arbeidsgerechten voor betwistingen in verband met de motivering van de beslissing van de Raad

Zie Jaarverslag 2006, p. 199, Jaarverslag 2004, p. 169 en Jaarverslag 2000, p. 177

Algemene aanbeveling 1999/3

Het wegwerken van een verschil in de toepassing van het principe van de eenheid van loopbaan tussen de pensioenregeling voor werknemers en die voor zelfstandigen

Zie Jaarverslag 2001, p. 170 en Jaarverslag 2000, p. 178

Algemene aanbeveling 1999/4

Ambtshalve toekenning van de pensioenrechten bij het bereiken van de pensioenleeftijd

Zie Jaarverslag 2002, p. 187
Top